Verbonden zijn en niets willen missen. Ik geloof dat er zelfs een woord voor is.
Ik kan het woord opzoeken op internet.
Straks, als de internetverbinding het weer doet bij ons in huis.
Al enige tijd is er lichte crisis bij ons op het dorp. De dorpsapp, waarin mensen hun spullen of frustratie over bijv. een verkeerd geparkeerde auto gratis weggeven. Gevonden voorwerpen en wat je allemaal nog meer vindt op de app in een gemiddeld dorp. Ondanks de slechte wifi en internetverbinding stroomt het over van de appjes over ‘slechte ontvangst’, Delta ‘die er mee bezig is maar nog geen verbetering kan beloven’.
Kortom: we missen de wifi, de snelheid waarmee we verbonden willen zijn met de rest van de wereld.
En ik geef ze gelijk.
Wat zou mijn leven zijn zonder verbinding wereldwijd? Voor mijn werk is het zelfs een levensader: zonder internet geen verkoop.
Tegelijkertijd is die app als een spiegel. Wat zijn wij mensen zonder wifi? Ik lees appjes over spijt van overstappen en klagende pubers in huis.
Over die mensheid in combi met wifi en smartphones heb ik laatst een boek gelezen: Generatie Angststoornis van Jonathan Haidt. Daarna had ik een tijdje geen ander boek meer nodig.
Wel een hoop wijsheid. Geduld. En durf om tegen de stroom in te kunnen zwemmen.
Ik geef het toe.
Mijn kijk is veranderd. Op de wereld, de mensen om me heen. En op mezelf. Waarom raak ik in de stress als ik een dag geen mail bekijk? Hoe kan het dat ik vrijheid zo hoog heb staan, terwijl ik mezelf op deze manier laat binden?
Ik hoor het je zeggen. We kunnen niet zonder internet. Ons leven en samenleving is er teveel mee verweven.
Dan komt nu de cruciale vraag. Daar waar het allemaal om gaat. Ik stel de vraag aan wat mensen om me heen en ik verbaas me over de eerlijkheid. Wat doe je met die verbondenheid van internet? Bankzaken, sociale familiecontacten, navigeren en nog honderd nuttige zaken.
Die doe je online.
Zoals ook de ontspanning. Hoe leuk -en handig- is het wel niet om je kleding te verkopen of te zoeken naar die fijne trui in net een andere kleur. Een paar klikken en je hebt het gevonden.
En dan komt nu het tweede stukje van het antwoord: niet alles is nuttig. Verre van dat. Ik hoor dat er tijd opgaat aan doelloos scrollen. En dat daar soms best van wordt gebaald.
Achteraf.
Want voordat je het weet, er zomaar een uur verstreken is.
De vrijheid van ‘alles overal en eindeloos kunnen bekijken’ bindt ons tegelijkertijd aan het gevoel dat we iets missen. We niet mee kunnen doen met de rest.
De vrijheid van even niets om handen hebben of voor je uitkijken tijdens het wachten bij de tandarts. Je gedachten even helemaal de vrije loop laten. Je hoofd even op orde zetten.
Los van algoritmes en keuzes die anderen voor je maken. Vrij zijn en niet iemand anders laten beslissen wat jij binnen laat komen.
Wat is dat toch, dat we steeds iets zelf oppakken om ons weer te binden?
Wanneer wordt iets wat ons vrijheid geeft, juist iets wat ons gevangen houdt?
Ik weet het.
Vrijheid is een duur woord.
En wellicht pas ik het hier te goedkoop toe. Past het inderdaad alleen in een context van oorlog. En wat weet ik nu als naoorlogse wat echte vrijheid is?
De lichtjes op de router lichten vertrouwd groen op. Ik check het weer (voor mijn wasgoed buiten), check mijn mail (een klant met een vraag?) en reageer op een appje. Verstuur een tikkie voor de lasergame verhuur van vandaag, verbind met spotify en zet een muziekje op.
Zet dit stukje online.
En ik weet: ook mijn dag ziet er anders uit zonder internet.
Ik was niet eens van plan om over internet te schrijven.

