Dat ik uit Zeeland kom, dat hoor je subtiel aan mijn accent.
Tenminste, dat zeggen ze.
In mijn Amsterdamse studietijd kwam die vraag regelmatig. Waar ik vandaan kom?
Stiekem vond ik het best wel stoer om te zeggen dat ik uit Zeeland kom.
En wat is er mis met een accent?
Laatst had ik het er met een klant over in de winkel. Hij komt uit Portugal en verontschuldigde zich voor zijn accent.
Trots moet je zijn!
Dat was mijn boodschap. Met een accent is niks mis. Het vertelt juist iets over je achtergrond, waar je vandaan komt en waar je groot geworden bent. Daar is maar één juiste emotie voor op zijn plaats.
En dat was ik ook. Nog steeds trouwens.
Zeeland: het land van de vakanties. Van Renesse, zee, zon en altijd mooi weer.
Ja, dat zien zij.
De toeristen.
Ik zie het land van zon én regenbuien, saaie schooldagen en hard werken. En dat de kust in de winter op zijn mooist is, zonder toeristen.
Dat houd ik voor mezelf. Stel je voor, dat ze die rustige dagen ook ontdekken.
Ik heb geluk en woon aan de juiste kant. De kant waar ik zelfs in de zomer eindeloos in m’n eentje door de polder kan lopen. Waar de voorbijgangers op één hand te tellen zijn. Waar ik een ander groet in een gedeelde ervaring: een ziel ontmoeten in niemandsland. Waar ik de dijk kan volgen met m’n ogen totdat het beeld wazig wordt aan het eind. Aan de kant waar het water aan beide kanten het land in stukken snijdt. Ik dit altijd moet doorwaden, wil ik ver van huis gaan.
En dat is het hem nu juist.
Het kanaal dat ik vandaag moet oversteken, wordt me onmogelijk gemaakt. Op de wijze die ik altijd doe op werkdagen buiten mijn comfortzone: in een auto door de Vlaketunnel.
Wel 10 dagen gesloten. Groot onderhoud aan wegdek, wanden en plafond. Alle begrip. Want veilig oversteken, dat leren we zelfs in de kleuterklas al hoe belangrijk dat is.
Ik loop niet in zeven sloten tegelijk. Ben voor niet één gat te vangen. Ik sla het aanbod af van een treinkaartje of met de auto een omweg via een omleiding te maken.
Ik pak de fiets.
En niet zomaar de eerste de beste: de speed pedelec van mijn vader. Lief dat hij is, ik mag hem gebruiken.
Wel een hele week.
En daar ga ik.
06:15 uur. Kwart over zes, in de ochtend.
Helm op. Handschoenen vergeten aan te doen (is dat nodig, dan?). Ik voel me vrij onervaren als ik met een gangetje van 40 km/uur het dorp uitrijd. Het is wennen hoe de wielen me hard vooruit duwen. De wind langs m’n oren hoor suizen. Met elke trap een stukje meewind krijg.
Oei, wat voelt het goed dat ik met verve de snelste ben en de stoet auto’s voorbij raas. Ráás, want snel gaat het.
De eerste verkeersregelaar kan ik niet missen. Met uitgestrekte hand geeft hij me voorrang zodat ik de file doorkruis. De tweede mis ik. Al goed vooruit kijkend naar 4 kanten tegelijk zoek ik een ruimte om de tweede file te doorkruisen. Net voor die gele vrachtwagen, ja, dat moet kunnen. De hand met stopteken zie ik te laat.
Sorry, ik ben al te snel weg om me te verontschuldigen. Het was niet bewust: “Ik zag u echt niet”. Boze ogen voel ik m’n rug. In gedachten zie ik een gebalde vuist de lucht ingaan. Achterom kijken, dat doe ik niet. Mijn blik is vooruit gericht. En dat is nodig ook. Ik kan mezelf niet veroorloven om iets te missen dat voor mijn wielen komt.
Via Google Maps had ik de route nog wel zo goed in mijn hoofd geprent. Na de provinciale weg langs het ziekenhuis oversteken en dan de eerste rechts na het spoor. Die mis ik.
Net zoals ik me had voorgenomen om de snelweg parallel te volgen. Dat mis ik ook. De mist hangt laag en zwaar in de polder. Ik zie nog wel een hand voor ogen, maar geen snelweg en hoe die te volgen.
Als ik een kerktoren voor me op zie doemen uit de mist weet ik dat ik verkeerd zit. Een wegwijsbordje voor toeristenfietsers zegt genoeg: hier moet ik niet zijn.
Met verkleumde handen probeer ik het touchscreen van mijn telefoon uit slaapstand te halen. Het blauwe stipje dat ik ben, is nog lang niet op de plaats van bestemming. Ik geef de moed niet op en vervolg mijn weg: eerst een stukje terug en dan links de polderweg in.
Door de mist kan ik doorgaande wegen van akker-opritten niet onderscheiden. Meerdere malen voel ik de kluiten onder mijn wielen gaan. En net zoveel keer draai ik mijn fiets om.
Als ik de snelweg heb gevonden en het viaduct ben gepasseerd, haal ik opgelucht adem. De eerste bekende straten hebben me nog nooit zo warm verwelkomd als nu.
De remmen van mijn fiets knijp ik hard in. Tijdens het loskoppelen van mijn accu zie ik de streepjes gevaarlijk laag staan.
Ik vraag me af. Zal ik vanmiddag de kortste terugweg weten?
Die verkeersregelaar, die ontwijk ik nog een keer. Ik zie hem nu bewust niet staan. Zijn hand en gebalde vuist zal ik niet zien. De oprit van de snelweg is voor mij alleen.
Vol kracht zal ik de pedalen intrappen. Alleen leegte is het dat me zal moeten ontwijken.
En die Vlaketunnel?
Die geeft me vast nog wel een strookje wegdek weg.
Heel even maar.
Ik ben nog nooit zo snel thuis gekomen.

